Dirk Jacobs
1999-10-12
Leonardo
Allochtonen en criminaliteit in Nederland: gevaarlijk onderzoek?

Minister van Justitie Marc Verwilghen wil dat de relatie tussen criminaliteit en etnische minderheden onderzocht wordt. In Nederland wordt niet moeilijk gedaan over studies naar betrokkenheid van allochtonen in criminaliteit. Twee recente studies waarin gesuggereerd wordt dat culturele factoren criminaliteit bevorderen, worden echter op flink wat wenkbrauwgefrons van sociale wetenschappers onthaald. Marion Van San, de auteur van een van die studies, zal de veelbesproken onderzoeksopdracht van minister Verwilghen uitvoeren.

CRIMINOLOGIE

Eind 1995 verklaarde de Utrechtse criminoloog Frank Bovenkerk aan de parlementaire onderzoekscommissie Opsporingsmethoden dat "enkele tientallen procenten van de volwassen Turkse mannen in Amsterdam in enigerlei functie bij de georganiseerde misdaad betrokken zijn". Die onbezonnen uitspraak trok de professor na de nodige commotie weer in. Bovenkerk bleef echter herhalen dat een aanzienlijk deel van de migrantenbevolking op zijn minst indirect in criminaliteit verwikkeld is. Verklaringen zoekt de toonaangevende criminoloog in structurele en sociaal-economische patronen. De Volkskrant pakte wat later uit met het bericht dat de helft van de Marokkaanse moskeeën - vaak onbewust - betrokken zou zijn bij de handel in hasj of het witwassen van drugsgeld. Vooraanstaande Nederlandse allochtonen vonden de berichtgeving overdreven maar ontkenden de problematiek niet.

Uit wetenschappelijke analyse van politiecijfers in Nederland blijkt duidelijk dat er een statistische samenhang is tussen een relatief hoge concentratie van allochtonen in een buurt en de registratie van sommige vormen van criminaliteit. Dat fenomeen is gemakkelijk te verklaren zonder dat er etnische factoren aan te pas komen. Ten eerste is er sowieso meer (straat)criminaliteit in buurten met een laag inkomensniveau en komen concentraties van allochtonen nu eenmaal vooral in achtergestelde buurten voor. Ten tweede is het een universeel patroon dat (straat)criminaliteit vooral door jongeren gepleegd wordt en wonen er opvallend veel jongeren in concentratiebuurten. Ten derde is er een oververtegenwoordiging van jonge allochtonen in de criminaliteitscijfers door processen van selectiviteit. Politiemensen hebben de tendens jonge allochtonen sneller als verdachten te beschouwen en er is een grotere aangiftebereidheid van delicten als de dader een allochtoon is, wat tot een systematische vertekening van officiële cijfers leidt.

Marokkaanse en Antilliaanse jongeren nemen in Nederland, zelfs als rekening wordt gehouden met sociaal-economische achtergrond, woonomgeving en leeftijd, toch nog een buitenproportioneel deel van bepaalde delicten voor hun rekening. Het is onduidelijk of dat volledig aan selectiviteit te wijten is. Bij Marokkanen gaat het vooral over vermogensdelicten, terwijl Antilliaanse jongeren vooral betrokken zijn bij gewelddaden. Vorig jaar verschenen twee proefschriften waarbij de oorzaken ook in culturele eigenschappen van de betreffende groepen gezocht worden.

De Belgische criminologe Marion Van San, gedoodverfd onderzoekster van de Verwilghen-studie, beschreef in Stelen en steken de legitimeringen van delinquent gedrag bij zestig Curaçaose jongens en hun moeders. Ze beweerde dat eer en schande als culturele componenten van doorslaggevend belang zijn bij de verklaring van crimineel gedrag van de Curaçaose jongens. Ze onderstreepte ook dat de jeugddelinquentie gedeeltelijk door de moeders van de daders vergoelijkt en daardoor bestendigd wordt. Antropoloog Frank van Gemert beschreef in Ieder voor zich het gedrag van veertig Marokkaanse jongens in Rotterdam, onder wie negen 'boefjes'. Van Gemert stelde zich expliciet tot doel de factor cultuur als verklaring voor de aard en omvang van Marokkaanse jeugddelinquentie te hanteren en zo een taboe te doorbreken. Hij schoof het zogenaamd ingebakken wantrouwen van Berbers uit het Rif naar voren als verklaringsgrond voor de frequente Marokkaanse jeugdcriminaliteit. De Marokkaanse schelmen wantrouwen volgens Van Gemert alles en iedereen en testen uit hoever ze kunnen gaan zonder betrapt te worden.

Heel wat criminologen en sociologen maakten er in vaktijdschriften, op conferenties en tijdens informele contacten geen geheim van de bevindingen van beide proefschriften sterk in vraag te stellen. Aan het soms indrukwekkende etnografische werk werd geen afbreuk gedaan. Wel verwierp menig academicus de conclusies die ze daaruit puurden over de relatie tussen cultuur en criminaliteit. Vooral Frank van Gemert moest het ontgelden. Men wierp hem voor de voeten dat hij helemaal geen oog had voor manifeste vormen van vertrouwen en solidariteit bij de Marokkaanse gemeenschap. De door hem beschreven jeugddelinquentie werd door anderen succesvol geduid als pogingen tot het opvijzelen van de eigenwaarde en het gevolg van een hybride stedelijke subcultuur. Op dat vlak miste het onderzoek een broodnodige vergelijking met de subculturen van gemarginaliseerde autochtone jongeren. Eenzelfde kritiek werd geuit aan het adres van Marion Van San. Critici meenden dat het gros van de aangehaalde macho-legitimeringen allerminst exclusief tot het arsenaal van Curaçaose jongens behoorden. Ze zouden met andere woorden evenmin misstaan in het ruigere volkscafé of onder de hooligans van de X-side. Dat moeders het gedrag van hun kroost goed proberen praten, leek velen dan weer een normaal, zelfs universeel gegeven.

De proefschriften van Van San en Van Gemert konden de collega-sociale wetenschappers geenszins overtuigen van een oorzakelijk verband tussen cultuur en criminaliteit. Weinigen ontkennen dat cultuur een invloed kan hebben op de verschijningsvormen van criminaliteit, zoals met name in het proefschrift van Marion Van San goed geïllustreerd wordt. Niemand aanvaardt echter dat etnisch-culturele factoren er ook voor zorgen dat allochtonen beduidend meer misdaden begaan. Er is een verpletterende consensus dat het aandeel van allochtonen in criminaliteit overduidelijk te verklaren is door omgevingsfactoren als sociaal-economische positie, woonomgeving, scholing, leeftijd, discriminatie en achterstelling.

Dirk Jacobs

Cultuur kan een invloed hebben op de verschijningsvormen van criminaliteit, maar niemand aanvaardt dat etnisch-culturele factoren voor een stijging van de criminaliteit zorgen