20 juni 2007:
kritische noot bij de cijfers van npdata over allochtone politieke vertegenwoordiging

In een vrije tribune in Le Soir (2 juni) en De Standaard (6 juni) maakten enkele wetenschappers kanttekeningen bij de cijfers die socioloog Jan Hertogen met regelmaat van de klok publiceert aangaande het aantal allochtonen in België. Onze kritiek is gekend: de gebruikte methodologie is onttoereikend en de cijfers zijn derhalve niet exact. Om dit soort problemen te vermijden, pleiten wij er al geruime tijd voor dat de Belgische overheid cijfers ter beschikking zou stellen die - bijvoorbeeld volgens het criterium van geboorteplaats en/of nationaliteit bij geboorte van de ouders - zouden toelaten het precieze aantal allochtonen (die de Belgische nationaliteit bezitten) te kennen. In Nederland produceert het Centraal Bureau voor de Statistiek dergelijke cijfers. Die kunnen zeer zeker interessant zijn om evoluties in het kader van (on)evenredige participatie op te sporen en te analyseren. Over de optimale operationalisering bestaat trouwens een levendige nationale en internationale discussie. Zie bijvoorbeeld het artikel 'Construction and Import of Ethnic Categorisations: 'Allochthones' in The Netherlands and Belgium'.
In een recente bijdrage op npdata probeert Hertogen te evalueren hoe het gesteld is met de vertegenwoordiging van allochtonen in het parlement, in het licht van de aanwezigheid van allochtone Belgen onder de bevolking. We vallen in herhaling: Ook hier stellen zich, jammer genoeg, alweer methodologische problemen.
Eerst en vooral: het gebruikte ijkpunt om de mate van representativiteit te bepalen (het aantal nieuwe Belgen) wordt nog steeds geschat volgens de eerder bekritiseerde methode. Daarnaast wil Hertogen de allochtonen onder de kandidaten en verkozenen identificeren. Hij gebruikt hiertoe de methode van naamherkenning. Aan die methode zijn nadelen verbonden omdat uit de familienaam niet altijd exact de origine van een persoon afgeleid kan worden. In de studie "Qui sont les candidats aux élections bruxelloises? Le profil des candidats à l'élection au parlement de la Région de Bruxelles Capitale du 13 Juin 2004" toonden wij aan dat die methode verre van onfeilbaar is. Onafhankelijke codeurs maken niet altijd dezelfde classificatie op basis van een patroniem-analyse. Daarom pleiten wij ervoor om uiterst spaarzaam met de methode van naamherkenning om te springen en minstens een procedure van meerdere onafhankelijke codeurs te hanteren en het alleszins duidelijk aan te geven wanneer men terugvalt op de methode van patroniem-analyse. Een meer valide methode om een indeling te maken volgens het schema autochtoon/allochtoon is op basis van geboorteplaats en/of nationaliteit van de ouders mensen toe te wijzen aan de ene of de andere analystische categorie. Hiertoe dient uiteraard die informatie beschikbaar te zijn. Om die reden organiseerden wij onder de kandidaten voor de gewestverkiezingen van 2004 een bevraging waarin ondermeer naar die variabelen gevraagd werd. In onze studie tonen we aan dat naamherkenning er wel eens naast durft te zitten, met name wat betreft mensen die afkomstig zijn uit landen die linguïstisch een verwantschap kennen en wat mensen uit gemengde huwelijken betreft. We vroegen onze bevraagden ook of ze zichzelf als 'allochtoon' of 'personne issue de l'immigration' beschouwen. Hieruit bleek dat een classificatie op basis van geboorteplaats en/of nationaliteit bij geboorte van de ouders niet altijd overeenstemt met het subjectieve aanvoelen. Een van de meer interessante conclusies was dat personen die sociaal opwaarts mobiel zijn sneller geneigd zijn zichzelf als 'allochtoon' te classificeren.
De vraagstelling die Hertogen interesseert is uiteraard interessant: hoe staat het met de diversiteit van ons parlement naar etnische achtergrond en weerspiegelt dit de samenstelling van de stemgerechtigde bevolking? Op basis van de naamherkenningsprocedure onderneemt Hertogen de oefening om het aantal verkozen allochtone kandidaten te identificeren. Die oefening (het identificeren van allochtone verkozenen) is niet bijster moeilijk omdat we ter controle vaak ook over de biografie van die personaliteiten beschikken. Hier valt dus niets op aan te merken. Moeilijker ligt het evenwel als men het percentage allochtone kandidaten op het totale aantal kandidaten wil bepalen.
Hertogen komt uit op 7,9% nieuwe Belgen onder de kandidaten, wat naar zijn zeggen min of meer overeenstemt met zijn schatting van 8,8% nieuwe Belgen in de bevolking. Het is hier dat het schoentje begint te wringen. Er duiken immers een aantal methodologische problemen op. Voor de goede orde: we bestrijden overigens niet dat Hertogens percentage geïdentificeerde allochtonen onder de kandidaten de realiteit dicht zal benaderen. Hoe dicht, kunnen we evenwel niet zeggen. Dat het niet de exacte cijfers zijn, kunnen we echter wel zeggen. Evenzeer kunnen we stellen dat de berekening van de mate van 'representativiteit' niet 100% valide is.
Zoals gezegd hebben wij kritiek op de manier waarop het aantal nieuwe Belgen in de bevolking door Hertogen geschat worden. Wij wachten liever op correcte officiële data, maar bij afwezigheid daarvan kan men inderdaad niet anders dan een schatting maken. Zoals reeds gesteld, verwerpen wij de door Hertogen gebruikte schattingsmethode (met name door de aannames aangaande overlijdens en emigraties) en zouden wij liever hebben dat de overheid de statistische gegevens ter beschikking zou stellen die een correcte berekening toelaten (zoals dat in Nederland en de Scandinavische landen gebeurt). Wij passen zelf voor giswerk terzake, zeker als men tot op het niveau van de gemeenten zou willen gaan, zoals de heer Hertogen herhaaldelijk deed in het verleden, maar dat is dan weer een ander verhaal.
Een bijkomend probleem is nu evenwel de 'telling' van het aantal allochtone kandidaten onder het geheel van de kandidaten volgens de naamherkenningsprocedure. Met het geven van een precies cijfer suggereert Hertogen hier absolute zekerheid te bieden, maar hij verzuimt wel de zwakke plekken van de naamherkenningsprocedure te vermelden. Ook blijkt dat het uitvoeren van een naamherkenningsprocedure door een enkele codeur uitgaat van een groot geloof in het kunnen van die ene codeur. Fouten zijn dan snel gemaakt. In de excel-file van npdata (versie zoals geconsulteerd op 20 juni) staat de heer Fouad Ahidar, SPIRIT-parlementslid in het Brussels parlement, bijvoorbeeld ingedeeld bij de groep 'autochtonen', terwijl het nochtans gaat om een gekend politicus met Marokkaanse achtergrond. Het werken met meerdere codeurs zou dergelijke fouten kunnen vermijden. Kandidaten die zichzelf als 'allochtoon' profileerden en ook volgens de Nederlandse CBS-methode tot die groep gerekend worden, maar een 'Westerse' voornaam hebben, bijvoorbeeld omdat ze uit een gemengd gezin komen, zullen evenwel doorgaans uit het zicht blijven bij gebruik van de naamherkenningsprocedure (om een lukraak voorbeeld te geven: Saskia Latréche, kandidate met de Belgische en de Algerijnse nationaliteit). Dat euvel valt niet op te lossen. Dat is in zoverre een probleem omdat de naamherkenningsprocedure een persoon met een vergelijkbaar profiel (van gemengde ouders) maar met een niet-inheems-klinkende naam (bijvoorbeeld Dalila Douifi), dan weer wel als 'allochtoon' ingedeeld zal worden. De enige uitweg voor dit methodologisch probleem is alle kandidaten te bevragen. Het is een dergelijke, meer valide, methode die wij in de wetenschappelijke wereld verkiezen in dit soort onderzoek. Bovendien hebben we bij een bevraging ook de mogelijkheid om de kandidaten hun subjectieve identiteit aan te laten geven en die te vergelijken met een 'objectieve' indeling. Dergelijk onderzoek vraagt uiteraard tijd en geld.
Wie snelle, hapklare brokken wil, kan terugvallen op de analyses van Hertogen, die ongetwijfeld zekere tendensen aangeven en in dat licht interessant zijn. Het zou echter fout zijn de door hem voorgestelde cijfers zomaar als de correcte te beschouwen. Daarvoor is toch diepgaander wetenschappelijk onderzoek vereist. Wij zijn dat voor de kandidatenprofielen van 2007 overigens niet van plan, bij gebrek aan tijd en middelen hiertoe (en een lage prioriteit op onze onderzoeksagenda).
Laat het duidelijk zijn: Hoe meer mensen rond dit soort thematieken wetenschappelijk onderzoek verrichten hoe beter. Academici hebben echter wel de taak over de kwaliteit van onderzoek te waken (en rekening te houden met weinig swingende begrippen als "validiteit" en "betrouwbaarheid"). Een van de aspecten van wetenschappelijk onderzoek is dat men duidelijk de gebruikte methodiek uitlegt (of verwijst naar bronnen die de methode uitleggen) en daarvan de grenzen aangeeft. Als men een naamherkenningsmethode gebruikt, moet men dat bijvoorbeeld duidelijk melden en daarvan de zwakke plekken aangeven. In dezelfde lijn behoort het tot de geplogendheden van het wetenschappelijk bedrijf om wankele methoden en onderzoeksdemarches te bekritiseren. Het is op die manier dat we tot betere kennis komen.
Nu is het 'neuzen tellen' van het aantal allochtone kandidaten een relatief onschuldige exercitie. Bovendien zal Hertogen wellicht niet al te ver van de realiteit zitten, dus is er wat dat betreft geen reden om hier wakker van te liggen. Het ligt echter anders als pertinent onjuiste stellingen de wereld ingestuurd worden. Dat was jammer genoeg het geval toen Hertogen beweerde dat 98% van de bevolking van Sint-Joost-ten-Noode allochtoon is, toen hij beweerde dat de daling van het Vlaams Belang bij de gemeenteraadsverkiezingen van 2006 zeker aan de allochtone stem te wijten was en toen hij beweerde dat er onderhand meer mensen van Marokkaanse origine dan van Italiaanse origine in ons land zijn. Die stellingen vonden gretig aftrek in de pers, maar zijn pertinent fout of veel te kort door de bocht. Het is de ondankbare taak van academici om op dergelijke fouten te wijzen, ook al maken we ons daar niet populair mee. Misschien is het wel nóg ondankbaarder om aan methodologisch muggenziften te moeten doen - zoals we hier nu doen wat allochtone kandidaten betreft: zeggen dat de algemene tendens wellicht wel klopt maar de exacte berekeningen niet deugen -, maar dat is nu eenmaal de aard van het beestje dat wetenschap heet. Als kritisch gebruik van analysetechnieken niet meer belangrijk zou zijn, kunnen we immers net zo goed ophouden het vak 'onderzoekmethodologie' te doceren. Irrelevant allemaal? Wie meent dat bij benadering goed genoeg is en dat deugdelijke onderzoeksmethoden bijzaak zijn, herinneren we graag aan de povere resultaten van de verkiezingspeilingen die er niet in slaagden de twee belangrijkste tendenzen van de parlementsverkiezingen van 2007 in Vlaanderen aan te geven: de winst van LDD en het verlies van SP.a-Spirit. Collega wetenschappers zoals Jaak Billiet en Marc Swyngedouw hebben met regelmaat van de klok gewaarschuwd voor de methodologische mankementen van al die peilingen. Dat doen wetenschappers niet om betweterig te doen, maar omdat het hun job en maatschappelijke verantwoordelijkheid is.

DIRK JACOBS
socioloog / politicoloog
verbonden aan het Institut de Sociologie van de Université Libre de Bruxelles (ULB)
en aan het Instituut voor Politieke Sociologie en Methodologie (IPSoM - KUBrussel)
email dirk.jacobs @ ulb.ac.be


20 juni 2007

wie is en wat doet Dirk Jacobs?