TRAGISCHE DAG 3

4 maart 2005

Lieven De Cauter, “Heterotopie”

“Het tragische bestaat niet.” Dat is een statement dat goed samenvat wat  Benjamin in het stuk van het treurspelboek over de tragedie zegt. Als we het hebben over het tragische als transhistorisch gegeven, dan is het interessant om te beginnen met iemand die zegt: het tragische bestaat niet als transhistorisch gegeven. Immers: het berust op een soort misverstand. Als er iets is als het tragische (zoals in ‘een tragisch ongeval’), dan moeten we toch weten wat dat betekent.
Dus: terug naar de Griekse polis & zijn tragedie. Door bezig te zijn met de stad en met heterotopie, ben ik op het theater & op de tragedie gestoten.
De omweg zal dus lang zijn, maar ik hoop dat het al onze gesprekken van vandaag in een ander daglicht kan stellen.

‘heterotopie’?
Heterotopie is een begrip van Foucault, lett. ‘de andere plaats’. Foucault heeft het nodig geacht om een nieuw begrip te maken, met de evidente parallel met utopie en eutopie. Dat begrip heeft een rare geschiedenis: hij heeft het uitgewerkt in een opstel van 1967, dan laten liggen als schets en pas zeer laat laten publiceren (1984). De meester zelf is het blijven behandelen als een schets; terwijl het begrip via Tschumi een ingang heeft gevonden in het vertoog over de stad (urbanisme). Bijgevolg: mensen spreken over heterotopie zonder precies te weten wat het is.
(Via deze link vind je het Franse opstel, een Engelse vertaling en zelfs een mp3 met His Master's Voice zelve!)

Wat is het nu precies? De schets van Foucault biedt te weinig aansluiting, is te zeer inleidend. Veel blijft in het ongewisse; de voorbeelden van Foucault zijn niet zo duidelijk.
Dus: ik ben aan het zoeken in de geschiedenis van de Griekse polis naar een sluitende theorie van de heterotopie. (Als alles heterotopie kan genoemd worden, is niets meer heterotopie).

‘Heterotopie’: Wij gaan er van uit dat we in een continue ruimte leven, maar eigenlijk is dat niet zo (en dat weten we ook). Er zijn andere ruimtes, die een afwijking zijn van die continue ruimte.
Foucaults voorbeelden: sauna, hammam, vakantiedorp, legerdienst, honeymoon, museum, theater, cinema, bibliotheek, kerkhof, gevangenis, het schip, de tuin, het park, .... zelfs het tapijt.
Wat hebben ze gemeen? Ze zijn ‘anders’. Foucault heeft getracht daarvan een heterotopologie op te stellen:
1. alle culturen kennen heterotopie;
2. heterotopieën kunnen van functie veranderen;
3. alle heterotopieën hebben een code (wat kan in een sauna, kan niet op straat);
4. sommige heterotopieën verbergen andere ruimtes in zich: bvb. in het theater en de cinema opent zich een andere ruimte in de normale ruimte, die de normale reële ruimte tenietdoet (het licht gaat uit: in het theater bestaat enkel de scène bestaat nog; in een cinema beleven we een collectieve droom);
5. er zijn ook heterochronieën: plaatsen die buiten de tijd staan en alle tijd in zich verzamelen (vb. de bibliotheek, het museum). Ook de tuin is altijd een miniatuur van de tuin van Eden (en het tapijt is op zijn beurt altijd een miniatuur van de tuin).

De heterotopieën zijn niet allemaal op één lijn te krijgen. Dus: ben ik gaan zoeken ==> roetsjbaan doorheen de Griekse polis.
Daar heb ik een nieuwe held ontdekt: Hippodamus! Aristoteles zegt: dat was een urbanist die de stad voor het eerst in precincts (wijken) indeelde, die het grondplan voor de Pyraeushaven heeft gemaakt, die lang haar had, rare kleren droeg & beweerde dat hij van alle wetenschappen thuis was.
Aristoteles bekritiseert hem, maar neemt zijn driedeling over van de soorten territoria:
1. de private, eigen grond (idian);
2. de gemeenschappelijke gronden (behoren toe aan de verdedigers: wat daar gekweekt wordt geeft hen voedsel) (koinen);
3. de hiëratische gronden (voor de priesters, voor de goden) (hieran: heilig, sacraal).

Wij denken altijd in een dualiteit: private versus publieke ruimte. Aristoteles of Hippodamus dacht onmiddelijk in 3 categorieën. De heterotopie is dus deze derde ruimte, die noch privaat (economisch) is, noch publiek (politiek) is.

(De volgende uiteenzetting naar: Van Pelt, Architectural Principles in the Age of Historicism.)
De antieke griekse stad in het algemeen en Athene in het bijzonder is schematisch afbeeldbaar als een vijfhoek (quincunx, vijfpunt): die is genoeg om alles in kaart te brengen.

.            .

       .

.            .

Al heel snel werd dat een schema met vier ruimtes: vier vierkanten in een groter vierkant.

- HET GROTER VIERKANT = Emporium (de muur de andere vier omringt, de verdedigingsgordel, de afsluiting, maar ook de ‘stofwisseling’ tussen de stad en het land: daar kan ik, afkomstig uit de oikos, voedsel kopen van de boer; het Emporium is als een huid: het sluit af maar het opent ook);
- VIERKANT 1: Oikos (huis, maar ook economie);
- VIERKANT 2: Agora (agon: plaats van de strijd, het twistgesprek; het plein, de publieke ruimte zijn tegengesteld aan de private ruimte);
- VIERKANT 3: Stèla (monument voor de doden, plaats van het verleden);
- VIERKANT 4: Templum (tempel, plaats van de toekomst, de eeuwigheid).

Van Pelt begint ook over het theater: het is die ruimte waar de ‘derde’ (heilige of sacrale) ruimte zichtbaar wordt in haar geseculariseerde vorm. Wat zich opent, is een diagonaal, een soort as, of sas tussen de oikos en de publieke ruimte. Het is een tussenruimte, een secularisatie van Stèla en Templum. Want: de Dionysia werden eerst gespeeld op de agora! Op een bepaald moment (410?) stort de houten tribune voor het publiek in elkaar. Katastrofe! Daarna is het theater herbouwd op de zuidoostflank van de Acropolis, dus echt in de sacrale ruimte nààst de stad: letterlijk heterotoop. Maar in de eerste fase kon de publieke ruimte, die een alledaagse ruimte is (politiek is continuïteit), tot heilige ruimte worden gemaakt (dat heilige, dat anders is dan het alledaagse economische en politieke, klinkt nog na in het Engelse woord holiday, men zou de heterotopie dus een holyday-space kunnen noemen). De spanning tussen het private/economische en het politieke/publieke (maar ook spanning tussen het alledaagse en de holyday) kon binnen één ruimte gebracht worden.
‘Holyday’ is de hiëratische ruimte: de ruimte die valt buiten het normale, ordinaire. Dat is een ruimte die wij veel te weinig in haar eigenheid zien: we zetten telkens een stap wanneer we overgaan van publieke of economische ruimte naar hiëratische ruimte.
Bvb. mijn uitstap naar de politiek was een ‘uitstap’, van de academie naar de publieke sfeer --- ook het academische is een heterotopie. het speelt zich af in de skolè, de abstinentie, de vrije tijd, de studietijd, ‘vakantie’ in de zin van leegte (vacant): open tijd; niet de tijd van de politiek en van de vrijheid, maar een tijd van een heel andere vrijheid. Want ook Aristoteles, hoewel hij geen spaander van Hippodamus’ utopische denkbeelden heel laat, neemt wél zijn driedeling over in de drie vormen van vrij leven die hij schetst (het leven in de pure oikos is onvrij want geregeerd door de noodzaak, het biologische leven):
1. economische leven gewijd aan genot (en dus de noodzaak van het fysieke overleven, de economie, omgeturnd tot overvloed)
2. politieke leven
3. bios theorètikos
De Grieken hadden voor dat laatste geen woord; wij wel: ‘de cultuur’. Sport, spel, kunst, religie: het valt allemaal onder het Ministerie van Cultuur. Dat is onze invulling van de derde ruimte: het is een soort mediatieruimte, en in die zin ook een dialectische ruimte.
Karel Vanhaesebrouck: heeft de economie dan niks te zeggen over cultuur en academie?!?
De Cauter:
Natuurlijk wel, maar dat berust op een intrusie tussen twee wezenlijk van elkaar verschillende sferen. Ziehier een andere driedeling

    oikos                    agora
    (everyday)                    (everyday)

                    heterotopie
                    (holyday-space)

Er zijn zes mogelijke intrusies (oikos—heterotopie, heterotopie—oikos, oikos—agora, agora—oikos, heterotopie—agora, agora—heterotopie). Onze wereld is acuut bedreigd door die zes intrusies; alle perversies van de wereld kunnen in termen van die zes intrusies kunnen worden uitgedrukt.

1. economisering van de heterotopie. Zo zegt bvb. de rector van de KUL, Oosterlinck: ‘we gaan de universiteit economiseren’ – hij is staatsgevaarlijk bezig! Want hij bant de alteriteit uit het dagelijks leven.
De intrusie van het economische is al lang aan het werk. Wij hebben de economie verheven tot de kern van het bestaan. Terwijl de Grieken dat juist verzwegen: wie vrij was, kon zich losmaken van het rijk van de noodzaak, dus van het werken en van de handel. Wij gebruiken hetzelfde woord voor wat eigenlijk compleet onverzoenbaar is: privé-sector & privé-sfeer.
Waarom zijn die onverzoenbaar? Uiteindelijk is oikos nog altijd dezelfde ‘sfeer’ als bij de Grieken: huishouden & economie . . .
Ook musea en bibliotheken, die meer en meer georganiseerd worden op basis van kijkcijfers en vraag en aanbod, zijn voorbeelden van de economisering van de heterotopie.

2. Er is ook een altijd dreigende intrusie van de politiek in het heterotopische: de politisering van de heterotopie. In alle totalitaire systemen wordt de academische en artistieke vrijheid meteen aan banden gelegd. Entarte Kunst of Socialistisch realisme, enzovoort. (Welke Duitser lag nu wakker van Kokoschka en de rest van de avant-garde?!? en toch moest Hitler hen te pakken krijgen!)

3. Naast de economisering van de heterotopie, is de omgekeerde intrusie een even groot gevaar: de heterotopisering van de oikos! Hier gaat men aan het private leven een ongepaste, afgegrensde vorm opleggen, bvb. die van het theater: in de zgn. themed gated communities, veilig afgegrensde woongemeenschappen waarin alle woningen streng volgens dezelfde code zijn vormgegeven (bvb. stijl spaanse villa, of Disney-dorp).

4. heterotopisering (of spektacularisering) van de politiek: infotainment. Image is everything. Schwarzenegger for president. Ook wie van de politiek theater en show maakt, is gevaarlijk bezig!

5. En dan is er nog de economisering van de politiek: het neoliberale dogma of axioma, of zelfs utopie bij uitstek.

6. Heterotopisering van de economie: De mall die themapark wordt. Shopping als enig overgebleven sociaal en stedelijk collectief ritueel.   

Maar nu moeten we dringend naar de tragedie...

. . . In het algemeen is er in het Oude Griekenland maar één natuurlijke plaats voor de vrouw, en dat is onzichtbaar te zijn (Pericles). Dat is ook zo in het joodse traditionele denken en in de traditionele islam (de burka is de logische consequentie van de onzichtbaarheid van de vrouw).
De vrouw is de baas van de oikos.
En toch: in die derde ruimte, de heterotopie, i.c. het theater, zien we dat er heel veel vrouwen optreden, zowel komische als tragische:
Bvb. Praxagora (Aristofanes): ‘zij die praktijk doet op de agora’, de anti-vrouw bij uitstek. Zij grijpt de macht op de ecclesia, verklaart de vrije liefde en schaft het privé-bezit af (door de oikos op te heffen, maken ze dus de hele polis tot een oikos!).
Bvb. Antigone. De vrouw moet verschijnen in de polis. Antigone belichaamt een tragische dialectiek tussen de wet van de oikos (gij zult uw doden begraven) en de wet van de agora (haar broer die Thebe heeft aangevallen, wordt vogelvrij verklaard en mag dus niet begraven worden). Wat ze ook doet, ze gaat in de fout. Dus moest er een plaats zijn om dat conflict, waar de vrouw voortdurend inzat, te tonen. Dat is het geval voor Lysistrata en Praxagora: de logica van de oikos wil vrede; de logica van de polis loopt uit op: oorlog.
in de derde ruimte kan een conflict getoond worden, dat in de polis en de oikos niet kan getoond worden.


______
Gesprek

Klaas Tindemans: valt Antigone ook niet buiten de oikos? Ze is tegen de vrouw, tegen de generaties — letterlijk betekent haar naam ‘anti-vrouw’, ‘anti-generaties’. Ze zet de logica van de generaties stop. Evenmin beroept ze zich op de logica van de polis. In de grond beroept ze zich op de logica van de tempel. Dus: ze staat zowel buiten de oikos, als buiten de agora. Ook met andere vrouwenfiguren is dat het geval. Medea zegt: ‘ik ga een ander lied zingen’; zij is expliciet een vreemdelinge. Antigone beroept zich op de wet van de goden, die niet zomaar met de oikos kan vereenzelvigd worden.

De Cauter: ja, maar de logica van de tempel komt voort uit logica van het huishouden. De oikos is zelf een driedelige ruimte:
- ronde haard: de godin Hestia, ‘de huishaard’
- de slaapkamer, het oikos, rond de haard
- de drempel die de grens met buiten markeert (megaron): domein van de god Hermes

Het heilige zit dus middenin de oikos. Het is het middelpunt van de wereld (zo ook in de stad: hestia koinè, de gemeenschappelijke haard = de vlam bewaakt door de priesteressen). Dat wordt duidelijk in de dodencultus, een religieuze cultus (die dus deel lijkt van de tempel) maar die eigenlijk helemaal tot de oikos behoort. De doden zitten onder de grond maar leven voort. Wij hebben hun gelukkig voortleven in handen (= het dodenmaal). Ook in onze katholieke traditie: het kruisteken boven de haard! Ook onze haard is de plek van het heilige (eronder: opa of papa die gestorven is). Momenteel maken we de verschrompeling mee van het huisaltaar (zie de kerstboom: een minimale heterotopische toestand in het huis).
Het heilige vindt zijn oorsprong in het huis (Hestia: godin maar tegelijk de haard; ze heeft geen vorm behalve de haard; zij is de centraliteit tegenover de ex-centrieke, steeds bewegende, liegende Hermes).
(Bibliografie:
Fustel de Coulanges, 1984 (1864), La cité antique, Flammarion.
Jean-Pierre Vernant: "L’espace et le mouvement chez les grecs anciens" en "Espaces et organisation politigue en Grèce ancienne’, beide opgenomen in Jean Pierre Vernant & Pierre Vidal Naquet, 1991, La Grèce ancienne,  2, L’Espace et le temps, Paris : editions du Seuil.)

Op planetaire schaal vervalt de staat: dan val je terug op de wet van de oikos (zie ex-Joegoslavië), een zeer wrede wet: de pater familias mag zijn zoon doden. (Of nog: een overspelige vrouw wordt door haar familie vermoord of kapotgemaakt.)
Na verloop van tijd wordt de oikos ‘onteigend’: de pater familias kan zijn zonen niet langer doden; hij mag niet dopen; mag geen huwelijken meer sluiten ==> dat wordt zaak van de staat en zaak van de tempel.

Karel Vanhaesebrouck: De heterotopie berust op een soort afspraak? Bvb. in de sauna mag, ja moet je met wildvreemden in je blootje zitten.
De Cauter: er zijn enorm veel rare ruimtes, maar: een aantal heterotopieën van Foucault zijn geen echte heterotopieën. Na zijn opstel over heterotopie uit 1967 heeft hij zich trouwens beziggehouden met heterotopieën die geen heterotopieën zijn in de strikte zin van het woord: het gekkenhuis, de kliniek, de gevangenis. Hij heeft zich met analoge toestanden beziggehouden, maar niet met dezelfde (tenzij misschien in Histoire de la sexualité, waar sprake is van het badhuis; in het oude Rome wordt het een cluster van heterotopie: badhuis, bibliotheek, Stoa... te vergelijken met onze kuuroorden; de holyday maakt daar een cluster; denk ook aan de passages bij ons, zoals de Koninginnegalerij te Brussel: een semi-private ruimte, die eruit ziet als een straat maar geen publieke ruimte is, daar vonden twee theaters een plaats, de eerste filmvertoning, er is nog altijd een bioscoop, boekhandels, er werden lezingen georganiseerd (Marx, Baudelaire, Verlaine en Rimbaud), etc. allemaal heterotopische plekken of activiteiten; of de passage Vero-Dodat in Parijs: twee beenhouwers slaan een muur door waardoor een ruimte ontstaat waar dingen mogen die niet op straat mogen: tippelen, roken...).

Voorbeelden van Foucaults heterotopieën, die geen echte heterotopieën zijn:
De gevangenis, het parlement, het justitiepaleis: dat zijn uitstulpingen van de agora, maar geen heterotopie. Het heeft niet te maken met de holyday-space.
Het schip: als narrenschip wel een heterotopie, maar als vervoersmiddel niet (want dan zou de trein, de vrachtwagen... ook een heterotopie zijn, terwijl het dat helemaal niet zijn).
Let wel: zo’n ruimtes kunnen zich heterotopiseren. Luchthavens zullen in de 21ste eeuw themaparken worden; hoe maak je van de transitruimte een place to stay? Ik ben trouwens op het idee van de heterotopie gestoten omdat men in de jaren ‘90 het themapark als paradigma zag voor de publieke ruimte. Eerste boek, uit 1993: Sorkin, Variations on a Theme Park: The Privatisation of Public Space. Hun vergissing: de ondertitel. Ze blijven gevangen in dualiteiten. We moeten kunnen zeggen: dat is heterotopie, en dat niet. Niet alles waar een rare sociale code heerst, is een heterotopie.
Klaas Tindemans: Maar kijk naar de manier van fractievorming en debatteren in een parlement. Is dat geen wezenlijk theatrale structuur? En dus ook een heterotopie? Het theater van het ancien régime, een theater voor een extreem kleine toplaag van de bevolking binnen een gesloten théâtre à l’italienne, wordt door de Franse Revolutie afgebroken, maar ze ontwikkelen geen nieuw theater. In wezen, echter, is het theater verplaatst naar het parlement! De symbolisering van de nieuwe waarden van de burgerlijkheid vindt niet plaats in het theater – zoals wel het geval was met de monarchistische waarden in het hoftheater – maar in het parlement! Dat parlement is de plek bij uitstek van de publieke ruimte, maar heeft ook iets heterotopisch.

De Cauter: de retoriek is een functie van het alledaagse, van de continuïteit. Bvb. de legendarische geste van Chroesjtov, die met zijn schoen op tafel slaat in de UNO --- dat is wel theatraal, maar zeker niet heterotoop.
Klaas Tindemans: wat nieuw was aan een parlement in de Franse Revolutie, was dat er vertegenwoordigers optraden met een mandaat. Heel het parlement vormde de totaliteit van die samenleving, representeerde die samenleving. (Wat absoluut niet het geval was onder het ancien régime: een groot deel van de samenleving was uitgesloten van de symbolisering.)
De plek om nieuwe symbolen in het leven te roepen, wordt eventjes dat parlement (in plaats van het theater). Het gaat veel verder dan het gebruik van theatrale elementen in de politieke ruimte.
De Cauter: ja, als er één vorm is die de vorm van het theater mimeert, dan is het het parlement. Maar het Engelse parlement, dat nog steeds veel theatraler is, heeft géén Franse Revolutie gekend.
Klaas: Engeland heeft dan ook geen constitutie noch een scheiding der machten. In de plaats daarvan heerst het principe van de checks and balances, het evenwicht tussen de verschillende fracties dat moet behouden blijven door compensaties. Die radicale omvorming van het parlement in een ruimte voor theater, heeft zich niet kunnen doorzetten in Engeland. Zij hadden geen revolutie. In Frankrijk werd de koning onthoofd! In Engeland heeft elke minister bijvoorbeeld een secretaris in het parlement, die zijn belangen behartigt – dat is bij ons ondenkbaar! Dat is daar altijd een politieke ruimte gebleven, die wel theatrale vormen heeft, maar nooit een heterotope ruimte kon worden om nieuwe symbolen te constitueren. (Het Engels parlement heeft dan ook nooit een grondwet ingesteld.) Het parlement affirmeert zich als vertegenwoordiger van een complete natie. Die symboolfunctie is trouwens veel belangrijker dan de concrete regelstellende functie.
Dus: het theater wordt verplaatst naar de publieke ruimte. Zoals in Griekenland: het politieke systeem en het rechtssysteem hadden geen ‘dogmatiek’, geen filosofische onderbouw waar de principes konden getoetst worden – de tragedie vervulde die functie! Het fundamentele probleem is dan dat je een politiek systeem krijgt dat pragmatisch functioneert, maar zich de hele tijd afvraagt: is dit wel legitiem? ==> die vraag werd in de tragedie gesteld.
Bvb. Euripides, Bacchanten: Pentheus, een intelligente karikatuur van de goddeloze Atheense democraat (‘ik hoef mijn macht niet op de goden te funderen, maar op mijn eigen rede en politieke kunde, fronèsis’) wordt aangevallen door iemand die dat allemaal ontkent, de god Dionysus zelf, en uiteindelijk het paleis laat instorten en de politieke orde gruwelijk vernietigt (de moeder vermoordt haar eigen zoon, samen met zusters en tantes). Dus een systeem dat legitiem lijkt (je moet een beetje ruimte laten voor de goden) wordt genadeloos afgekraakt. En dat staat in het midden van het politieke orde! Een politiek ritueel voor iets volstrekt anti-politiek! (Op de eerste rij van het Atheense theater: politieke hoogwaardigheidsbekleders, daarna de religieuze.) Dààr laten ze iemand overwinnen die al die waarden vernietigt.
De Cauter: Het begrip van de politiek dat gepresenteerd wordt in de Bacchanten móet anders zijn, anders zou het geen heterotope ruimte meer zijn! In een totalitaire staat stopt de publieke ruimte niet aan de oikos. De politieagent dringt in mijn slaapkamer binnen. Het eerste wat een totalitaire staat vernietigt, is de drempel van de oikos. Alles wordt homogeen. Pentheus belichaamt diegene die gelooft dat hij alles kan homogeniseren en rationaliseren. Hij wordt gestraft door Dionysos: vrouwen die wilde dieren worden. Met andere woorden, het stuk maakt duidelijk dat wanneer je die mediatieruimtes niet respecteert, de hele ruimte in elkaar klapt (en uiteindelijk een totalitaire staat kan worden). Bacchanten gaat terug naar het tragische als zodanig, met name de Dionysoscultus: indien er evenwicht kan zijn in de polis, dan alleen door het respecteren van de sferen (vgl. wat kan in de sauna, kan niet op straat).
Klaas: In de tragedie worden dat soort waarschuwingen voortdurend uitgedeeld, en wel op de meest radicale manier.

Losse, afsluitende bemerkingen van De Cauter:
Hetaeren zijn letterlijk de ‘andere vrouwen’, die wél toegang hebben tot de agora. Ze babbelen met de politici over politiek en met de literatoren over literatuur. Bvb. Georges Sand: ik ga roken en een broek dragen ==> ze wordt onmiddellijk uit de oikos gestoten en aangeduid als courtisane.
Prostituées ‘tippelen’ letterlijk, ze hebben geen vaste plaats, ze lopen weg en weer over de straat. Ze worden dan ook met een vreemde term ‘péripatéticiennes’ genoemd, wat stamt van de (filosofische) peripatetische school. De naam sloeg op het ‘wandelen’ van leerlingen en docenten in de zuilengang: net zo geldt voor de tippelaarster. Dat geldt ook voor een stuk voor acteurs.

Kunst is de ruimte van de ambiguïteit. Politieke kunst is per definitie slechte kunst (behalve Brecht). Dat wil niet zeggen dat kunst niet politiek kan zijn! Alles is politiek, want het is wat het is: het zit in de polis (binnen het grotere vierkant, het Emporium).

Het kamp is het tegenovergestelde van de heterotopie. In een heterotopie kun je dingen doen die nergens anders kunnen. Het kerkhof: bemiddeling tussen de doden en de levenden; badhuis: bemiddeling tussen de natuur in mij en de cultuur in mij. Alle heterotopieën zijn mediatieruimtes, maar je moet ergens stoppen: anders wordt alles heterotopie.

een heterotopie
enkel en alleen als
bemiddelingsruimte