TRAGISCHE DAG 3
4 maart 2005
Lieven De Cauter,
“Heterotopie”
“Het tragische bestaat
niet.” Dat is een statement dat goed samenvat wat Benjamin
in het stuk van het treurspelboek over de tragedie zegt. Als we het
hebben over het tragische als transhistorisch gegeven, dan is het
interessant om te beginnen met iemand die zegt: het tragische bestaat
niet als transhistorisch gegeven. Immers: het berust op een soort
misverstand. Als er iets is als het tragische (zoals in ‘een
tragisch ongeval’), dan moeten we toch weten wat dat betekent.
Dus: terug naar de Griekse polis & zijn tragedie. Door bezig te
zijn met de stad en met heterotopie, ben ik op het theater & op de
tragedie gestoten.
De omweg zal dus lang zijn, maar ik hoop dat het al onze gesprekken van
vandaag in een ander daglicht kan stellen.
‘heterotopie’?
Heterotopie is een begrip van Foucault, lett. ‘de andere
plaats’. Foucault heeft het nodig geacht om een nieuw begrip te
maken, met de evidente parallel met utopie en eutopie. Dat begrip heeft
een rare geschiedenis: hij heeft het uitgewerkt in een opstel van 1967,
dan laten liggen als schets en pas zeer laat laten publiceren (1984).
De meester zelf is het blijven behandelen als een schets; terwijl het
begrip via Tschumi een ingang heeft gevonden in het vertoog over de
stad (urbanisme). Bijgevolg: mensen spreken over heterotopie zonder
precies te weten wat het is.
(Via deze link
vind je het Franse opstel, een Engelse vertaling en zelfs een mp3 met
His Master's Voice zelve!)
Wat is het nu precies? De schets van Foucault biedt te weinig
aansluiting, is te zeer inleidend. Veel blijft in het ongewisse; de
voorbeelden van Foucault zijn niet zo duidelijk.
Dus: ik ben aan het zoeken in de geschiedenis van de Griekse polis naar
een sluitende theorie van de
heterotopie. (Als alles heterotopie kan genoemd worden, is niets meer
heterotopie).
‘Heterotopie’: Wij gaan er van uit dat we in een continue
ruimte leven, maar eigenlijk is dat niet zo (en dat weten we ook). Er
zijn andere ruimtes, die een afwijking zijn van die continue ruimte.
Foucaults voorbeelden: sauna, hammam, vakantiedorp, legerdienst,
honeymoon, museum, theater, cinema, bibliotheek, kerkhof, gevangenis,
het schip, de tuin, het park, .... zelfs het tapijt.
Wat hebben ze gemeen? Ze zijn ‘anders’. Foucault heeft
getracht daarvan een heterotopologie op te stellen:
1. alle culturen kennen heterotopie;
2. heterotopieën kunnen van functie veranderen;
3. alle heterotopieën hebben een code (wat kan in een sauna, kan
niet op straat);
4. sommige heterotopieën verbergen andere ruimtes in zich: bvb. in
het theater en de cinema opent zich een andere ruimte in de normale
ruimte, die de normale reële ruimte tenietdoet (het licht gaat
uit: in het theater bestaat enkel de scène bestaat nog; in een
cinema beleven we een collectieve droom);
5. er zijn ook heterochronieën: plaatsen die buiten de tijd staan
en alle tijd in zich verzamelen (vb. de bibliotheek, het museum). Ook
de tuin is altijd een miniatuur van de tuin van Eden (en het tapijt is
op zijn beurt altijd een miniatuur van de tuin).
De heterotopieën zijn niet allemaal op één lijn te
krijgen. Dus: ben ik gaan zoeken ==> roetsjbaan doorheen de Griekse
polis.
Daar heb ik een nieuwe held ontdekt: Hippodamus! Aristoteles zegt: dat
was een urbanist die de stad voor het eerst in precincts (wijken)
indeelde, die het grondplan voor de Pyraeushaven heeft gemaakt, die
lang haar had, rare kleren droeg & beweerde dat hij van alle
wetenschappen thuis was.
Aristoteles bekritiseert hem, maar neemt zijn driedeling over van de
soorten territoria:
1. de private, eigen grond (idian);
2. de gemeenschappelijke gronden (behoren toe aan de verdedigers: wat
daar gekweekt wordt geeft hen voedsel) (koinen);
3. de hiëratische gronden (voor de priesters, voor de goden) (hieran: heilig, sacraal).
Wij denken altijd in een dualiteit: private versus publieke ruimte.
Aristoteles of Hippodamus dacht onmiddelijk in 3 categorieën. De
heterotopie is dus deze derde ruimte, die noch privaat (economisch) is,
noch publiek (politiek) is.
(De volgende uiteenzetting naar: Van Pelt, Architectural Principles in the Age of
Historicism.)
De antieke griekse stad in het algemeen en Athene in het bijzonder is
schematisch afbeeldbaar als een vijfhoek (quincunx, vijfpunt): die is
genoeg om alles in kaart te brengen.
. .
.
. .
Al heel snel werd dat een schema met vier ruimtes: vier vierkanten in
een groter vierkant.
- HET GROTER VIERKANT = Emporium (de muur de andere vier omringt, de
verdedigingsgordel, de afsluiting, maar ook de
‘stofwisseling’ tussen de stad en het land: daar kan ik,
afkomstig uit de oikos, voedsel kopen van de boer; het Emporium is als
een huid: het sluit af maar het opent ook);
- VIERKANT 1: Oikos (huis, maar ook economie);
- VIERKANT 2: Agora (agon: plaats van de strijd, het twistgesprek; het
plein, de publieke ruimte zijn tegengesteld aan de private ruimte);
- VIERKANT 3: Stèla (monument voor de doden, plaats van het
verleden);
- VIERKANT 4: Templum (tempel, plaats van de toekomst, de eeuwigheid).
Van Pelt begint ook over het theater: het is die ruimte waar de
‘derde’ (heilige of sacrale) ruimte zichtbaar wordt in haar
geseculariseerde vorm. Wat zich opent, is een diagonaal, een soort as,
of sas tussen de oikos en de publieke ruimte. Het is een tussenruimte,
een secularisatie van Stèla en Templum. Want: de Dionysia werden
eerst gespeeld op de agora! Op een bepaald moment (410?) stort de
houten tribune voor het publiek in elkaar. Katastrofe! Daarna is het
theater herbouwd op de zuidoostflank van de Acropolis, dus echt in de
sacrale ruimte nààst de stad: letterlijk heterotoop. Maar
in de eerste fase kon de publieke ruimte, die een alledaagse ruimte is
(politiek is continuïteit), tot heilige ruimte worden gemaakt (dat
heilige, dat anders is dan het alledaagse economische en politieke,
klinkt nog na in het Engelse woord holiday,
men zou de heterotopie dus een holyday-space
kunnen noemen). De spanning tussen het private/economische en
het politieke/publieke (maar ook spanning tussen het alledaagse en de
holyday) kon binnen één ruimte gebracht worden.
‘Holyday’ is de hiëratische ruimte: de ruimte die valt
buiten het normale, ordinaire. Dat is een ruimte die wij veel te weinig
in haar eigenheid zien: we zetten telkens een stap wanneer we overgaan
van publieke of economische ruimte naar hiëratische ruimte.
Bvb. mijn uitstap naar de politiek was een ‘uitstap’, van
de academie naar de publieke sfeer --- ook het academische is een
heterotopie. het speelt zich af in de skolè,
de abstinentie, de vrije tijd, de studietijd, ‘vakantie’ in
de zin van leegte (vacant): open tijd; niet de tijd van de politiek en
van de vrijheid, maar een tijd van een heel andere vrijheid. Want ook
Aristoteles, hoewel hij geen spaander van Hippodamus’ utopische
denkbeelden heel laat, neemt wél zijn driedeling over in de drie
vormen van vrij leven die hij schetst (het leven in de pure oikos is
onvrij want geregeerd door de noodzaak, het biologische leven):
1. economische leven gewijd aan genot (en dus de noodzaak van het
fysieke overleven, de economie, omgeturnd tot overvloed)
2. politieke leven
3. bios theorètikos
De Grieken hadden voor dat laatste geen woord; wij wel: ‘de
cultuur’. Sport, spel, kunst, religie: het valt allemaal onder
het Ministerie van Cultuur. Dat is onze invulling van de derde ruimte:
het is een soort mediatieruimte, en in die zin ook een dialectische
ruimte.
Karel Vanhaesebrouck: heeft de economie dan niks te zeggen over cultuur
en academie?!?
De Cauter:
Natuurlijk wel, maar dat berust op een intrusie tussen twee wezenlijk
van elkaar verschillende sferen. Ziehier een andere driedeling
oikos
agora
(everyday)
(everyday)
heterotopie
(holyday-space)
Er zijn zes mogelijke intrusies (oikos—heterotopie,
heterotopie—oikos, oikos—agora, agora—oikos,
heterotopie—agora, agora—heterotopie). Onze wereld is acuut
bedreigd door die zes intrusies; alle perversies van de wereld kunnen
in termen van die zes intrusies kunnen worden uitgedrukt.
1. economisering van de heterotopie. Zo zegt bvb. de rector van de KUL,
Oosterlinck: ‘we gaan de universiteit economiseren’ –
hij is staatsgevaarlijk bezig! Want hij bant de alteriteit uit het
dagelijks leven.
De intrusie van het economische is al lang aan het werk. Wij hebben de
economie verheven tot de kern van het bestaan. Terwijl de Grieken dat
juist verzwegen: wie vrij was, kon zich losmaken van het rijk van de
noodzaak, dus van het werken en van de handel. Wij gebruiken hetzelfde
woord voor wat eigenlijk compleet onverzoenbaar is: privé-sector
& privé-sfeer.
Waarom zijn die onverzoenbaar? Uiteindelijk is oikos nog altijd
dezelfde ‘sfeer’ als bij de Grieken: huishouden &
economie . . .
Ook musea en bibliotheken, die meer en meer georganiseerd worden op
basis van kijkcijfers en vraag en aanbod, zijn voorbeelden van de
economisering van de heterotopie.
2. Er is ook een altijd dreigende intrusie van de politiek in het
heterotopische: de politisering van de heterotopie. In alle totalitaire
systemen wordt de academische en artistieke vrijheid meteen aan banden
gelegd. Entarte Kunst of Socialistisch realisme, enzovoort. (Welke
Duitser lag nu wakker van Kokoschka en de rest van de avant-garde?!? en
toch moest Hitler hen te pakken krijgen!)
3. Naast de economisering van de heterotopie, is de omgekeerde intrusie
een even groot gevaar: de heterotopisering van de oikos! Hier gaat men
aan het private leven een ongepaste, afgegrensde vorm opleggen, bvb.
die van het theater: in de zgn. themed
gated communities, veilig afgegrensde woongemeenschappen waarin
alle woningen streng volgens dezelfde code zijn vormgegeven (bvb. stijl
spaanse villa, of Disney-dorp).
4. heterotopisering (of spektacularisering) van de politiek:
infotainment. Image is everything. Schwarzenegger for president. Ook
wie van de politiek theater en show maakt, is gevaarlijk bezig!
5. En dan is er nog de economisering van de politiek: het neoliberale
dogma of axioma, of zelfs utopie bij uitstek.
6. Heterotopisering van de economie: De mall die themapark wordt.
Shopping als enig overgebleven sociaal en stedelijk collectief
ritueel.
Maar nu moeten we dringend naar de tragedie...
. . . In het algemeen is er in het Oude Griekenland maar
één natuurlijke plaats voor de vrouw, en dat is
onzichtbaar te zijn (Pericles). Dat is ook zo in het joodse
traditionele denken en in de traditionele islam (de burka is de
logische consequentie van de onzichtbaarheid van de vrouw).
De vrouw is de baas van de oikos.
En toch: in die derde ruimte, de heterotopie, i.c. het theater, zien we
dat er heel veel vrouwen optreden, zowel komische als tragische:
Bvb. Praxagora (Aristofanes): ‘zij die praktijk doet op de
agora’, de anti-vrouw bij uitstek. Zij grijpt de macht op de
ecclesia, verklaart de vrije liefde en schaft het privé-bezit af
(door de oikos op te heffen, maken ze dus de hele polis tot een oikos!).
Bvb. Antigone. De vrouw moet verschijnen in de polis. Antigone
belichaamt een tragische dialectiek tussen de wet van de oikos (gij
zult uw doden begraven) en de wet van de agora (haar broer die Thebe
heeft aangevallen, wordt vogelvrij verklaard en mag dus niet begraven
worden). Wat ze ook doet, ze gaat in de fout. Dus moest er een plaats
zijn om dat conflict, waar de vrouw voortdurend inzat, te tonen. Dat is
het geval voor Lysistrata en Praxagora: de logica van de oikos wil
vrede; de logica van de polis loopt uit op: oorlog.
in de derde ruimte kan een conflict getoond worden, dat in de polis en
de oikos niet kan getoond worden.
______
Gesprek
Klaas Tindemans: valt Antigone ook niet buiten de oikos? Ze is tegen de
vrouw, tegen de generaties — letterlijk betekent haar naam
‘anti-vrouw’, ‘anti-generaties’. Ze zet de
logica van de generaties stop. Evenmin beroept ze zich op de logica van
de polis. In de grond beroept ze zich op de logica van de tempel. Dus:
ze staat zowel buiten de oikos, als buiten de agora. Ook met andere
vrouwenfiguren is dat het geval. Medea zegt: ‘ik ga een ander
lied zingen’; zij is expliciet een vreemdelinge. Antigone beroept
zich op de wet van de goden, die niet zomaar met de oikos kan
vereenzelvigd worden.
De Cauter: ja, maar de logica van de tempel komt voort uit logica van
het huishouden. De oikos is zelf een driedelige ruimte:
- ronde haard: de godin Hestia, ‘de huishaard’
- de slaapkamer, het oikos, rond de haard
- de drempel die de grens met buiten markeert (megaron): domein van de
god Hermes
Het heilige zit dus middenin de oikos. Het is het middelpunt van de
wereld (zo ook in de stad: hestia
koinè, de gemeenschappelijke haard = de vlam bewaakt
door de priesteressen). Dat wordt duidelijk in de dodencultus, een
religieuze cultus (die dus deel lijkt van de tempel) maar die eigenlijk
helemaal tot de oikos behoort. De doden zitten onder de grond maar
leven voort. Wij hebben hun gelukkig voortleven in handen (= het
dodenmaal). Ook in onze katholieke traditie: het kruisteken boven de
haard! Ook onze haard is de plek van het heilige (eronder: opa of papa
die gestorven is). Momenteel maken we de verschrompeling mee van het
huisaltaar (zie de kerstboom: een minimale heterotopische toestand in
het huis).
Het heilige vindt zijn oorsprong in het huis (Hestia: godin maar
tegelijk de haard; ze heeft geen vorm behalve de haard; zij is de
centraliteit tegenover de ex-centrieke, steeds bewegende, liegende
Hermes).
(Bibliografie:
Fustel de Coulanges, 1984 (1864), La
cité antique, Flammarion.
Jean-Pierre Vernant: "L’espace et le mouvement chez les grecs
anciens" en "Espaces et organisation politigue en Grèce
ancienne’, beide opgenomen in Jean Pierre Vernant & Pierre
Vidal Naquet, 1991, La Grèce
ancienne, 2, L’Espace
et le temps, Paris : editions du Seuil.)
Op planetaire schaal vervalt de staat: dan val je terug op de wet van
de oikos (zie ex-Joegoslavië), een zeer wrede wet: de pater
familias mag zijn zoon doden. (Of nog: een overspelige vrouw wordt door
haar familie vermoord of kapotgemaakt.)
Na verloop van tijd wordt de oikos ‘onteigend’: de pater
familias kan zijn zonen niet langer doden; hij mag niet dopen; mag geen
huwelijken meer sluiten ==> dat wordt zaak van de staat en zaak van
de tempel.
Karel Vanhaesebrouck: De heterotopie berust op een soort afspraak? Bvb.
in de sauna mag, ja moet je met wildvreemden in je blootje zitten.
De Cauter: er zijn enorm veel rare ruimtes, maar: een aantal
heterotopieën van Foucault zijn geen echte heterotopieën. Na
zijn opstel over heterotopie uit 1967 heeft hij zich trouwens
beziggehouden met heterotopieën die geen heterotopieën zijn
in de strikte zin van het woord: het gekkenhuis, de kliniek, de
gevangenis. Hij heeft zich met analoge toestanden beziggehouden, maar
niet met dezelfde (tenzij misschien in Histoire de la sexualité, waar
sprake is van het badhuis; in het oude Rome wordt het een cluster van
heterotopie: badhuis, bibliotheek, Stoa... te vergelijken met onze
kuuroorden; de holyday maakt daar een cluster; denk ook aan de passages
bij ons, zoals de Koninginnegalerij te Brussel: een semi-private
ruimte, die eruit ziet als een straat maar geen publieke ruimte is,
daar vonden twee theaters een plaats, de eerste filmvertoning, er is
nog altijd een bioscoop, boekhandels, er werden lezingen georganiseerd
(Marx, Baudelaire, Verlaine en Rimbaud), etc. allemaal heterotopische
plekken of activiteiten; of de passage Vero-Dodat in Parijs: twee
beenhouwers slaan een muur door waardoor een ruimte ontstaat waar
dingen mogen die niet op straat mogen: tippelen, roken...).
Voorbeelden van Foucaults heterotopieën, die geen echte
heterotopieën zijn:
De gevangenis, het parlement, het justitiepaleis: dat zijn
uitstulpingen van de agora, maar geen heterotopie. Het heeft niet te
maken met de holyday-space.
Het schip: als narrenschip wel een heterotopie, maar als vervoersmiddel
niet (want dan zou de trein, de vrachtwagen... ook een heterotopie
zijn, terwijl het dat helemaal niet zijn).
Let wel: zo’n ruimtes kunnen zich heterotopiseren. Luchthavens
zullen in de 21ste eeuw themaparken worden; hoe maak je van de
transitruimte een place to stay? Ik ben trouwens op het idee van de
heterotopie gestoten omdat men in de jaren ‘90 het themapark als
paradigma zag voor de publieke ruimte. Eerste boek, uit 1993: Sorkin, Variations on a Theme Park: The
Privatisation of Public Space. Hun vergissing: de ondertitel. Ze
blijven gevangen in dualiteiten. We moeten kunnen zeggen: dat is
heterotopie, en dat niet. Niet alles waar een rare sociale code heerst,
is een heterotopie.
Klaas Tindemans: Maar kijk naar de manier van fractievorming en
debatteren in een parlement. Is dat geen wezenlijk theatrale structuur?
En dus ook een heterotopie? Het theater van het ancien régime,
een theater voor een extreem kleine toplaag van de bevolking binnen een
gesloten théâtre à l’italienne, wordt door de
Franse Revolutie afgebroken, maar ze ontwikkelen geen nieuw theater. In
wezen, echter, is het theater verplaatst naar het parlement! De
symbolisering van de nieuwe waarden van de burgerlijkheid vindt niet
plaats in het theater – zoals wel het geval was met de
monarchistische waarden in het hoftheater – maar in het
parlement! Dat parlement is de plek bij uitstek van de publieke ruimte,
maar heeft ook iets heterotopisch.
De Cauter: de retoriek is een functie van het alledaagse, van de
continuïteit. Bvb. de legendarische geste van Chroesjtov, die met
zijn schoen op tafel slaat in de UNO --- dat is wel theatraal, maar
zeker niet heterotoop.
Klaas Tindemans: wat nieuw was aan een parlement in de Franse
Revolutie, was dat er vertegenwoordigers optraden met een mandaat. Heel
het parlement vormde de totaliteit van die samenleving, representeerde
die samenleving. (Wat absoluut niet het geval was onder het ancien
régime: een groot deel van de samenleving was uitgesloten van de
symbolisering.)
De plek om nieuwe symbolen in het leven te roepen, wordt eventjes dat
parlement (in plaats van het theater). Het gaat veel verder dan het
gebruik van theatrale elementen in de politieke ruimte.
De Cauter: ja, als er één vorm is die de vorm van het
theater mimeert, dan is het het parlement. Maar het Engelse parlement,
dat nog steeds veel theatraler is, heeft géén Franse
Revolutie gekend.
Klaas: Engeland heeft dan ook geen constitutie noch een scheiding der
machten. In de plaats daarvan heerst het principe van de checks and
balances, het evenwicht tussen de verschillende fracties dat moet
behouden blijven door compensaties. Die radicale omvorming van het
parlement in een ruimte voor theater, heeft zich niet kunnen doorzetten
in Engeland. Zij hadden geen revolutie. In Frankrijk werd de koning
onthoofd! In Engeland heeft elke minister bijvoorbeeld een secretaris
in het parlement, die zijn belangen behartigt – dat is bij ons
ondenkbaar! Dat is daar altijd een politieke ruimte gebleven, die wel
theatrale vormen heeft, maar nooit een heterotope ruimte kon worden om
nieuwe symbolen te constitueren. (Het Engels parlement heeft dan ook
nooit een grondwet ingesteld.) Het parlement affirmeert zich als
vertegenwoordiger van een complete natie. Die symboolfunctie is
trouwens veel belangrijker dan de concrete regelstellende functie.
Dus: het theater wordt verplaatst naar de publieke ruimte. Zoals in
Griekenland: het politieke systeem en het rechtssysteem hadden geen
‘dogmatiek’, geen filosofische onderbouw waar de principes
konden getoetst worden – de tragedie vervulde die functie! Het
fundamentele probleem is dan dat je een politiek systeem krijgt dat
pragmatisch functioneert, maar zich de hele tijd afvraagt: is dit wel
legitiem? ==> die vraag werd in de tragedie gesteld.
Bvb. Euripides, Bacchanten: Pentheus,
een intelligente karikatuur van de goddeloze Atheense democraat
(‘ik hoef mijn macht niet op de goden te funderen, maar op mijn
eigen rede en politieke kunde, fronèsis’) wordt
aangevallen door iemand die dat allemaal ontkent, de god Dionysus zelf,
en uiteindelijk het paleis laat instorten en de politieke orde
gruwelijk vernietigt (de moeder vermoordt haar eigen zoon, samen met
zusters en tantes). Dus een systeem dat legitiem lijkt (je moet een
beetje ruimte laten voor de goden) wordt genadeloos afgekraakt. En dat
staat in het midden van het politieke orde! Een politiek ritueel voor
iets volstrekt anti-politiek! (Op de eerste rij van het Atheense
theater: politieke hoogwaardigheidsbekleders, daarna de religieuze.)
Dààr laten ze iemand overwinnen die al die waarden
vernietigt.
De Cauter: Het begrip van de politiek dat gepresenteerd wordt in de Bacchanten móet anders zijn,
anders zou het geen heterotope ruimte meer zijn! In een totalitaire
staat stopt de publieke ruimte niet aan de oikos. De politieagent
dringt in mijn slaapkamer binnen. Het eerste wat een totalitaire staat
vernietigt, is de drempel van de oikos. Alles wordt homogeen. Pentheus
belichaamt diegene die gelooft dat hij alles kan homogeniseren en
rationaliseren. Hij wordt gestraft door Dionysos: vrouwen die wilde
dieren worden. Met andere woorden, het stuk maakt duidelijk dat wanneer
je die mediatieruimtes niet respecteert, de hele ruimte in elkaar klapt
(en uiteindelijk een totalitaire staat kan worden). Bacchanten gaat
terug naar het tragische als zodanig, met name de Dionysoscultus:
indien er evenwicht kan zijn in de polis, dan alleen door het
respecteren van de sferen (vgl. wat kan in de sauna, kan niet op
straat).
Klaas: In de tragedie worden dat soort waarschuwingen voortdurend
uitgedeeld, en wel op de meest radicale manier.
Losse, afsluitende bemerkingen van De Cauter:
Hetaeren zijn letterlijk de ‘andere vrouwen’, die
wél toegang hebben tot de agora. Ze babbelen met de politici
over politiek en met de literatoren over literatuur. Bvb. Georges Sand:
ik ga roken en een broek dragen ==> ze wordt onmiddellijk uit de
oikos gestoten en aangeduid als courtisane.
Prostituées ‘tippelen’ letterlijk, ze hebben geen
vaste plaats, ze lopen weg en weer over de straat. Ze worden dan ook
met een vreemde term ‘péripatéticiennes’
genoemd, wat stamt van de (filosofische) peripatetische school. De naam
sloeg op het ‘wandelen’ van leerlingen en docenten in de
zuilengang: net zo geldt voor de tippelaarster. Dat geldt ook voor een
stuk voor acteurs.
Kunst is de ruimte van de ambiguïteit. Politieke kunst is per
definitie slechte kunst (behalve Brecht). Dat wil niet zeggen dat kunst
niet politiek kan zijn! Alles is politiek, want het is wat het is: het
zit in de polis (binnen het grotere vierkant, het Emporium).
Het kamp is het tegenovergestelde van de heterotopie. In een
heterotopie kun je dingen doen die nergens anders kunnen. Het kerkhof:
bemiddeling tussen de doden en de levenden; badhuis: bemiddeling tussen
de natuur in mij en de cultuur in mij. Alle heterotopieën zijn
mediatieruimtes, maar je moet ergens stoppen: anders wordt alles
heterotopie.
een heterotopie
enkel en alleen als
bemiddelingsruimte